header
Fragmenten

High five, zand erover  

De camping aan de kust. Stefan en ik brachten er samen met onze ouders en met zijn oudere broer en zus de zomers door. Soms gingen we met z’n allen eten in een Chinees restaurant met uitzicht op een spoorbaan, niet ver van de camping. Wij jongens zaten zij aan zij, aan een rood bekleed tafeltje en onder felgekleurde lampionnetjes met kwastjes. Minutenlang konden we staren naar een aquarium. Tropische vissen cirkelden traag en schijnbaar gewichtsloos door het water, alsof ze zweefden. Stefan en ik waren even oud en onze huid had dezelfde kleur van koper. Volgens andere kinderen op de camping die van pinda’s of van koffie met melk. Kinderen zeggen nu eenmaal stomme dingen tegen elkaar. Stefan wist hun ‘pinda’, ‘poepchinees’ en ‘halfbloedje’ beter in te schatten dan ik. Hij kon onbewogen kijken met ogen van glas. Lachspiegels waarin ik mezelf raar terug zag. Met die blik stond hij mijlenver boven alles, daarin verschilde hij van mij. Zijn koffiekleur had Stefan geërfd van zijn vader die opgegroeid was in Trinidad, een eiland ver weg, en die net als Stefan pluizig haar had en lichtbruine ogen. Mijn vader kwam uit Suriname. Onze vaders waren beiden kelners en werkten tot laat in de nacht. Als ze al naar de camping kwamen brachten ze veel tijd door op hun luchtbedden, onder hun gewicht zonken die diep naar de grond. Ze droegen zelden sokken, hun voeten, de zolen iets lichter van kleur dan de wreven, staken bewegingsloos uit over de rand. Alsof ze lijken waren en iemand had vergeten naamkaartjes aan hun grote tenen te bevestigen. Vooral Stefans vader kon het in die positie lang uithouden. Onze Hollandse moeders waren vriendinnen van elkaar. Die van mij werkte bij een bank, wat ze daar precies deed had ik haar nooit gevraagd, en in haar vrije tijd herstelde ze antieke poppen. Stefans moeder ontwierp kleding. Op de camping droeg ze soms een zelfgemaakte kaftan, om je dood te schamen. Vanaf onze eerste ontmoeting waren Stefan en ik gabbers. Zwaan kleef aan. Samen zwierven we hele dagen over de camping. We bemoeiden ons nauwelijks met zijn broer en zus, vanaf de bagagedragers van hun fietsen voerden ze urenlange gesprekken met andere jongeren. Oersaai! Wij brachten veel tijd door op het voetbalveld, een kaal getrapt lapje grond, dat bereikbaar was langs een met bramenstruiken begroeid pad. Aan het einde van dat tunneltje strekte het veldje zich uit als de zee. Op dagen met veel wind lieten we er onze vliegers op. Die van Stefan steeg altijd vlugger aan de hemel dan die van mij, vliegeren paste bij hem. We konden beiden goed leren, toch deed Stefan vooral graag dingen met zijn handen. Dromerig kon hij staren naar een adelaar, een tijger, of naar wat voor vlieger hij dat seizoen had uitgekozen, de lange staart dansend en klapperend in de wind. Het allerliefst hingen we rond bij de vijver, tussen de bomen aan de uiterste rand van het tentenkamp. Op het water dreef hier en daar kroos, eronder gleden vadsige vissen. Karpers, had iemand ons verteld. We namen altijd brood voor de vissen mee. Stefan gooide met eindeloos veel geduld piepkleine stukjes in het water. Ik scheurde de boterhammen gewoon in vieren. Het happen van de beesten, hun weke muilen vlak boven het water, fascineerde ons. Nog spannender was hun plotselinge verdwijnen het groene water in, we hadden geen idee hoe diep de vijver was. Gespannen wachtten we tot er weer één boven zou komen.

 

(Fragment uit het verhaal 'High five, zand erover' uit de verhalenbundel 'Voor mij ben jij hier', uitgeverij Meulenhoff)